Heidegebieden roepen tegenwoordig een beeld op van grote paarse vlaktes. In het historische heidelandschap was dit echter maar één van de elementen. Verschillende bodemtypen en gebruiksvormen die zowel een verarmend als een verrijkend karakter hadden, kwamen in ruimtelijke samenhang voor. Door deze variatie kende het heidelandschap een grotere diversiteit van standplaatscondities dan tegenwoordig het geval is. De oorspronkelijke soortenrijkdom is door het verlies aan erreinvariatie deels verloren gegaan. In dit artikel wordt onderzocht welk effect variatie in gebruiksvormen heeft op de mierenfauna. Mieren kunnen gebruikt worden als ‘gidssoorten’ voor een groter deel van de heidefauna, omdat ze een verscheidenheid aan
habitateisen vertonen. Kennis van de levenscyclus en eigenschappen van de mierensoorten levert hierbij waardevolle inzichten op over de sturende factoren.

Versluijs, R., Vogels, J. & Van Noordwijk, T. (2013). Mierengemeenschappen in het heidelandschap. De Levende Natuur. Volume 114-5 pp: 220-225.