Europese duingebieden worden bedreigd door intensief gebruik door recreanten,
areaalverlies door uitbreiding van bebouwing en degradatie en fragmentatie van
leefgebieden. De mobiliteit van het zand en de duinen is sterk verminderd door intensieve
kustbescherming, afname van het agrarische gebruik, de terugloop van het aantal wilde
dieren – vooral konijnen (Orytolagus cuniculus (L.)) – en door de zeespiegelstijging. Naast
deze factoren heeft ook de luchtvervuiling een sterke invloed op deze nutriëntenarme
ecosystemen. Met name de stikstof- en zwaveldepositie is sinds het midden van de
twintigste eeuw toegenomen. De depositiewaardes waren het hoogst rond 1970-1990 en
zijn sindsdien weer met 10-40 % afgenomen.

Impact of atmospheric nitrogen deposition on lichen-rich, coastal dune grasslands

Stikstof depositie beïnvloed de kwaliteit van veel Natura 2000 gebieden. Voor de
verschillende habitattypen is een kritische depositiewaarde (KDW) berekend, die in
veel gevallen onder de huidige stikstofbelasting ligt. Welke gevolgen deze verhoogde
depositie heeft voor duurzame instandhouding of verbetering van de kwaliteit van
Natura 2000 gebieden , is één van de belangrijkste vragen die nu speelt bij het
opstellen van de beheerplannen en de vergunning verlening die daaraan gekoppeld
is. Onderwerp van deze studie is de analyse van de rol van stikstof in relatie tot
andere stressfactoren op de ontwikkeling van Natura 2000 gebieden op de korte en
middellange termijn.

Herstelstrategieën voor Nederlandse ecosystemen op basis van landschapsprocessen: Een verkenning

Human activities profoundly influence our landscapes today. Changes in land use,
acidification, desiccation and eutrophication have resulted in a biodiversity crisis.
Knowledge on the relationship -or ‘match’- between a species and its environment is
needed to understand the impact of degradation and to derive sound possibilities for
restoring the original biodiversity.

Matching species to a changing landscape – Aquatic macroinvertebrates in a heterogeneous landscape

Past decades witnessed a strong decline of many songbirds that forage on or near the ground
in the Netherlands. Little is known about its direct causation but foraging conditions have
notably deteriorated. Ground-foraging songbirds prefer to forage on short vegetation as
it allows better accessibility to the ground. Nitrophilic grasses have expanded during the
last decades and now cover large expanses of former nutrient poor habitats. Tis has been
a result of acidifcation, N deposition and, until recently, strongly declined grazing by
Rabbit (Oryctolagus caniculus). Terefore, the amount of suitable short-grown habitat has
declined. And yet, localities exist where some of these songbirds still occur or, interestingly,
do not occur in spite of apparent suitable conditions for ground-foraging birds. One of
these species is the Northern Wheatear (Oenanthe oenanthe), the main character of this
thesis.

On the brink of extinction : Biology and conservation of Northern Wheatears in the Netherlands

De uitvoering van vernattingsmaatregelen in de Deurnsche Peel en Mariapeel in het kader van een LIFE+-project zorgen voor 20 tot 40% reductie van de uitstoot van broeikasgassen, vergelijkbaar met de uitstoot van circa 1.000 huishoudens. Deze inschatting is gemaakt met behulp van de GEST-benadering op basis van bestaande vegetatiekarteringen en het herstelplan.

Effecten van herstelmaatregelen op vastlegging en emissie van broeikasgassen in de Deurnsche Peel en Mariapeel

In dit artikel zijn de bestrijdingsmaatregelen tegen watercrassula in
een wetenschappelijke publicatie weergegeven.

Niet alleen zijn alle gerapporteerde strategieën tegen watercrassula
geëvalueerd op effectiviteit maar tevens zijn de gebruikte methoden
uitvoerig beschreven en zijn aan de hand van de bevindingen van
wetenschappers en beheerders conclusies getrokken over de eliminatie
van de plaagsoort.

De belangrijkste conclusies zijn dat de effectiviteit van eliminatie
van watercrassula helaas zeer laag is. Successen worden alleen geboekt
wanneer het kleine besmettingen betreft, wanneer deze in een
geïsoleerd systeem aanwezig zijn en wanneer deze groeien in een
terrestrische omgeving. Beheersen op basis van maatwerk per besmetting
is hierdoor meer aan te raden.

Effectiveness of eradication measures for the invasive Australian swamp stonecrop Crassula helmsii

Ondanks zijn kleurrijke verschijning is de uitheemse Zonnebaars
(Lepomis gibbosus) een ongewenste verschijning in natuurlijke wateren.
In Nederland is de soort bezig met een opmars; wereldwijd staat de Zonnebaars in
de top tien van schadelijke invasieve vissoorten (Casal, 2006). De vraag is welke
mogelijkheden er zijn om deze soort te bestrijden? Om daar antwoord op te vinden
is onderzocht welke omstandigheden sturend werken op de aantalontwikkeling.
Dat leidt tot aanbevelingen voor het beheer van getroffen wateren.

Naar bestrijdingsmogelijkheden van de Zonnebaars

Increased atmospheric deposition of N and S cause a decline in plant biodiversity of heathlands. Concomitant declines of heathland invertebrates are mainly attributed to changes in vegetation composition, while changes in plant chemistry are largely ignored. This article aims to quantify the biochemical pathways of altered autotroph and heterotroph biochemistry. Soil acidity and sod-cutting was found to increase plant N:P ratios, which in turn negatively affected invertebrate density and species richness. These results imply that the role of plant N:P stoichiometry is underestimated in explaining declines of heathland invertebrates. Management should therefore not only focus on restoring habitat structural complexity, but also to restoring biogeochemical soil conditions.

Can changes in soil biochemistry and plant stoichiometry explain loss of animal diversity of heathlands?