Effectieve bestrijding van uitheemse aquatische gewervelden is moeilijk. Dat komt doordat de dieren vaak moeilijk te vinden zijn, waardoor het lastig is om alle dieren te verwijderen. Uitheemse plaagsoorten zijn vaak in staat tot het produceren van veel nakomelingen. Onvolledige bestrijding zorgt daardoor vaak voor slechts een tijdelijke verlaging van de aantallen van de soort. In dit rapport staat een overzicht van de meest gangbare fysieke en chemische bestrijdingsmethoden die in Nederland en het buitenland worden gebruikt bij de bestrijding van exotische aquatische gewervelden. Daarbij worden twee vormen van bestrijding onderscheiden: beheersing en eliminatie.

Methoden voor bestrijding van ongewenste uitheemse aquatische gewervelden.

Gedurende de afgelopen decennia heeft de Noordamerikaanse zonnebaars zich in Nederland sterk uitgebreid. In een verscheidenheid van wateren, variërend van beken tot poelen en vennen gaat de soort domineren en richt daar door predatie op inheemse soorten grote ecologische schade aan. In deze studie is onderzocht wat geschikte methoden zijn om de soort te beheren. Bij de ontwikkeling van maatregelen is zoveel mogelijk gebruik gemaakt van natuurlijke processen en omstandigheden die in het veld de aantallen van de soort kunnen reguleren. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen stromende en stilstaande wateren. De populatiedichtheid, groei, voortplanting en overleving van zonnebaars werd in het veld bestudeerd om inzicht te krijgen in sturende processen.

OBN-onderzoek Zonnebaars – Mogelijkheden voor bestrijding van een uitheemse invasieve vis.

Verzuring, verdroging en vermesting hebben grote gevolgen voor de bewoners van het Nederlandse landschap. Vele soorten planten en dieren worden hierdoor in hun voortbestaan bedreigd, terwijl enkele andere soorten zich sterk hebben kunnen uitbreiden. Deze aantastingen leiden op een reeks van schaalniveaus tot knelpunten voor dieren. Om soorten te behoeden voor uitsterven worden in het kader van het Overlevingsplan Bos en Natuur (OBN) herstel- en beheersmaatregelen uitgevoerd. Voor succesvol herstel is kennis noodzakelijk over de relatie tussen fauna en omgeving alsmede hoe aantastingen en herstelmaatregelen op deze relatieaangrijpen. Deze kennis ontbreekt nog grotendeels. Om de periode van kennisontwikkeling te overbruggen, zijn vuistregels opgesteld. Deze vuistregels geven randvoorwaarden voor de wijze van uitvoering van maatregelen met betrekking tot schaal, intensiteit, tijdstip en frequentie. Uitvoering volgens deze vuistregels levert naar verwachting een sterk verbeterd resultaat ten opzichte van de huidige praktijk.

Schaal en intensiteit van herstelmaatregelen: hoe reageert de fauna?

Dit rapport heeft tot doel zowel de kansen als de bedreigingen van verbrakking voor het natuur- en waterbeheer in het laagveen- en zeekleilandschap in kaart te brengen. Bijvoorbeeld wat de effecten van verbrakking zijn op de kwaliteit van de voorkomende habitattypen. Met deze informatie kunnen de verschillende beleids- en beheeropties voldoende onderbouwd en afgewogen worden bij het nemen van beslissingen rond dit thema.

Verbrakking in het laagveen- en zeekleilandschap. Van bedreiging naar kans?

Het onderliggend rapport laat zien dat effectgerichte maatregelen in vennen en duinplassen in de afgelopen 20 jaar succesvol zijn geweest. Een groot deel van de karakteristieke soorten is teruggekeerd en die blijken bovendien (voorlopig) aanwezig te blijven. Tegelijk blijkt uit dit rapport dat volledig venherstel nog een weg heeft te gaan. De depositie van stikstof is te hoog waardoor nog steeds vermesting optreedt. Ook verdroging speelt veel vennen nog parten. Om de erfenissen uit het verleden èn toekomstige erfenissen (door voortgaande vermesting) op te ruimen, blijft het voorlopig nodig om uitgekiende herstelmaatregelen te nemen. Ter wille van de ‘parels’ in het zandlandschap.

Effectiviteit van herstelbeheer in vennen en duinplassen op de middellange termijn

In het Leenderbos zijn de afgelopen jaren veel maatregelen genomen om de sterke ontwatering van het gebied te beperken. Een concentratie van maatregelen is genomen in het Laagveld, een deel van het gebied dat ligt tussen de hoge gronden aan de oostkant van het Leenderbos en het dal van de Tongelreep aan de westkant. De belangrijkste maatregelen zijn het dempen of stuwen van sloten, het kappen van bos en het herstel van slenkachtige laagten waar weer afstroom van water over maaiveld kan plaatsvinden.Staatsbosbeheer ziet in het gebied ook nog knelpunten en kansen welke hier worden besproken.

Onderzoek hydrologie en biotische nulmeting Laagveld. Eindrapportage.

Ten zuiden van Eindhoven bevinden zich talrijke vennen, waardoor ook de flora en fauna van vennen in deze streek goed ontwikkeld is. De omgeving van de Malpie, ten zuiden van Valkenswaard, is één van de centra van deze natte natuur. Het Taamven ligt aan de oostrand van dit terrein. Het ven is privaat en de eigenaar overweegt herstelmaatregelen om de vroegere venflora en –fauna te bevorderen. Het voorliggende rapport doet verslag van een vooronderzoek naar de huidige toestand en de herstelmogelijkheden.

Natuurwaarden in het Taamven en mogelijkheden voor herstel.

Door de grootschalige ontginningen, waterwinningen, ontwatering en de sterke intensivering van het landbouwkundig gebruik rondom natuurgebieden zijn veel van de kleine ecotopen in aantal en kwaliteit ernstig gedegradeerd. Hun schaal en rijkdom maakt de ecotopen extra kwetsbaar voor ingrepen van buitenaf, voor de gevolgen van isolatie en voor verandering van het grond- en watergebruik. De laatste jaren is er in toenemende mate interesse voor de kleine ecotopen in het nat zandlandschap, maar samenhangende aandacht voor hun functioneren ontbreekt. Evenmin is bekend wat de belangrijkste kennishiaten zijn voor behoud en herstel van deze systemen. En de door terreinbeheerders noodgedwongen gehanteerde ‘trial and error’ aanpak blijkt niet altijd een succes. Daarom vonden DT Nat zandlandschap en DT Beekdalen het de hoogste tijd voor een overzicht van de kleine ecotopen en een door kennis onderbouwde identificatie van knelpunten en (mogelijke) herstelmaatregelen.

Preadvies kleine ecotopen in de hydrologische gradiënt.

Behoud en herstel van biodiversiteit staat nationaal, maar ook internationaal hoog op de agenda. Binnen EGM is veel aandacht besteed aan het herstel van vermestte en/of verzuurde ecosystemen in het Pleistocene heidelandschap en in de duinen. Veel verschillende methoden zijn hierbij ontwikkeld en uitgetest, maar periodiek branden is hierbij tot nu toe buiten beschouwing gebleven. Periodiek branden is een traditionele gebruiks- of beheermethode die in het verleden op meerdere plaatsen in het heidelandschap werd toegepast. De laatste jaren zijn er door beheerders positieve ervaringen gemeld met kleinschalig branden. Tegelijkertijd sorteren reguliere beheermaatregelen niet altijd het gewenste effect. Daarom is het zinvol om de ervaringen met periodiek branden en de kennis die er in binnen- en buitenland is over de effecten daarvan op de beschikbaarheid van nutriënten, vegetatie en fauna, op een rij te zetten.

Branden als EGM maatregel

Staatsbosbeheer heeft geconstateerd dat de kenmerkende biodiversiteit van het heidesysteem Sallandse heuvelrug, ondanks grote beheerinspanningen, achteruit blijft gaan. Staatsbosbeheer wil bodemverbetering door de toepassing van steenmeel als mogelijke duurzame oplossing verder verkennen. Onderzoekcentrum B-WARE, Stichting Bargerveen en BodemBergsma hebben in opdracht van Staatsbosbeheer de mogelijkheden verkend en een voorstel van plan van aanpak opgesteld voor het toedienen van steenmeel in het Sallandse heidesysteem. Dit consortium is momenteel betrokken bij lopende projecten waar steenmeel wordt toegepast als herstelmethode in droge en vochtige heide (onderzoek op Strabrechtse heide en in Nationaal Park de Hoge Veluwe). In deze projecten wordt op relatief kleine schaal in het veld experimenteel getoetst wat de effecten zijn van verschillende soorten steenmeel, verschillende korrelgroottes en hoe deze zich verhouden tot toediening van dolokal. Parallel aan deze onderzoeken voert het consortium een project uit in Nationaal Park de Hoge Veluwe waarbij steenmeel toegepast gaat worden op circa 160 ha voormalige bosbodem, bestaande droge heide, heischraal grasland en jeneverbesstruweel, na een trialfase met 15 besteenmeelde vlakken van 1 ha. De kennis die in ontwikkeling is in deze projecten, is mede gebruikt voor het opstellen van het plan van aanpak voor steenmeeltoediening op de Sallandse Heuvelrug.

Duurzaam herstel van het Sallandse heidesysteem door toediening van steenmeel: Verkennen van de mogelijkheden en opstellen plan van aanpak