Soorten

Brede geelgerande waterroofkever

De indrukwekkende Brede geelgerande waterroofkever (Dytiscus latissimus) is de op-één-na-grootste waterroofkever ter wereld, en een van de weinige keversoorten van de Europese Habitatrichtlijn. Stichting Bargerveen en Onderzoekcentrum B-WARE voeren in opdracht van de provincie Drenthe onderzoek uit naar verspreiding en ecologie van deze mythische soort.

In dit project is ontdekt dat ondanks hun zeer grote formaat de larvale ontwikkeling net zo lang duurt als die van veel kleinere soorten. Dat betekent dat de larven in enkele weken een enorm snelle groei door moeten maken. Hiervoor zijn ze afhankelijk kokerjuffers, de grootst mogelijke eiwitrijke prooi die voorhanden is. De jonge keverlarven eten uitsluitend kokerjuffers en kunnen zich niet ontwikkelen zonder deze prooien. Pas in het derde (laatste) stadium nemen de keverlarven ook genoegen met andere prooien, zoals kikkervisjes en libellenlarven.

Een groot aanbod van kokerjufferlarven is daarmee dé sleutelfactor voor deze zeldzame keversoort. De larven hebben 200 tot 300 kokerjuffers nodig voor het voltooien van hun ontwikkeling. Voor het complete nageslacht van één vrouwtje zijn daarmee 10.000 tot 15.000 kokerjuffers nodig; voor het onderhouden van een gezonde keverpopulatie zelfs 100-duizenden kokerjuffers per jaar. Dergelijke dichtheden zijn in Nederland tegenwoordig zeldzaam en komen eigenlijk alleen voor in plas-dras situaties langs oevers met overhangend struweel, waar de kokerjuffers hun eitjes op afzetten. Hier doet zich een conflict voor met de huidige herstelmaatregelen, aangezien voor zure en zwakgebufferde vennen en heideveentjes wordt aangeraden om bosopslag op oevers te verwijderen om input van stikstof via bladinval te beperken. Het is niet ondenkbaar dat door dit beheer in de loop der jaren al diverse vennen ongeschikt zijn geworden voor de Brede geelgerande waterroofkever.

Grauwe klauwier

De populatie van de Grauwe klauwier wordt al sinds 1991 intensief gevolgd in het Bargerveen. In de jaren daarna is ook steeds meer onderzoek uitgevoerd in andere delen van Drenthe, Limburg, de Veluwe en op de Waddeneilanden Terschelling en Ameland. Bij het onderzoek naar Grauwe klauwieren zijn nesten gezocht, is het dieet bepaald en zijn de jongen gemeten (grootte en gewicht) en geringd met unieke coderingen. Zoveel mogelijk vogels die terugkeren uit de overwinteringsgebieden zijn gecontroleerd op deze ringen. Deze langjarige dataset levert een schat aan informatie op over de overleving en dispersie van deze kleine insectenetende vogelsoort en hoe deze gerelateerd is aan het voedselaanbod in de broedgebieden. Uiteindelijk zijn onze Nederlandse klauwieren via geolocators zelfs naar de Afrikaanse wintergebieden gevolgd.

Het langjarige onderzoek aan de Grauwe klauwier vormt een orde draad door het werk van Stichting Bargerveen. Dankzij dit onderzoek hebben we ideeën gekregen over hoe beheer- en inrichtingsmaatregelen de populaties van ongewervelden sterk kunnen beïnvloeden. In nauwe samenwerking met de Radboud Universiteit Nijmegen wordt deze langjarige dataset geanalyseerd met de nieuwste populatiemodellen.

Speerwaterjuffer

Stichting Bargerveen en de Vlinderstichting hebben van de provincie Noord-Brabant subsidie gekregen om de kansen voor versterking van populaties van de zeldzame Speerwaterjuffer (Coenagrion hastulatum) in kaart te brengen. Het project ‘Als een speer aan de slag voor de speerwaterjuffer in Noord-Brabant’ is gericht op het met maatwerk plannen en uitvoeren van maatregelen.

De speerwaterjuffer kwam tot de jaren 1970 vrij algemeen voor op de hogere zandgronden van Noord-Brabant, Twente en de Achterhoek. Sindsdien is zijn leefgebied ernstig aangetast en heeft de soort zich teruggetrokken tot een klein aantal resterende populaties. Noord-Brabant is nu het belangrijkste bolwerk voor deze karakteristieke soort, maar ook hier zijn inmiddels veel populaties verdwenen en resteren minder dan tien vindplaatsen. De speerwaterjuffer is daarmee één van de sterkst bedreigde soorten libellen in Nederland.

Korhoen

De laatste populatie van het Korhoen (Lyrurus tetrix) in Nederland komt voor op de Sallandse heuvelrug. Al decennia wordt hier getracht om een duurzame populatie op de been te houden, maar is zeer klein en kwetsbaar. Een van de belangrijkste factoren is de overleving van kuikens. Hoewel volwassen korhoenders vrijwel alleen bessen en jonge bladeren eten, zijn de kuikens gedurende de eerste twee weken sterk afhankelijk van ongewervelden. Stichting Bargerven onderzoekt met behulp van welke (combinatie van) beheermaatregelen er een zo groot mogelijk aanbod van ongewervelden kan worden gerealiseerd. Deze maatregelen betreffen maaien, branden, plaggen, akkeren en het toevoegen van bufferstoffen als kalk en steenmeel.